Je vult je aangifte in en ziet drie boxen langskomen. Ergens weet je dat box 3 over je spaargeld gaat en box 1 over je inkomen. Maar waar de grens precies ligt, en waarom het zoveel uitmaakt in welke box iets valt, blijft vaag.
Toch is dat verschil bepalend voor wat je onder de streep overhoudt. Twee mensen met hetzelfde vermogen kunnen duizenden euro’s uit elkaar liggen, alleen door de box waarin hun geld zit.
Dit artikel legt het verschil tussen box 1, box 2 en box 3 uit, zonder fiscaal jargon.
Waarom er überhaupt drie boxen zijn
De Nederlandse inkomstenbelasting werkt sinds 2001 met een boxenstelsel. Het idee erachter is dat verschillende soorten inkomen verschillend belast worden, elk met een eigen tarief en eigen regels.
Wat je verdient met werken wordt anders behandeld dan wat je verdient met een aandelenbelang in je eigen bv, en dat weer anders dan wat je vermogen oplevert.
De boxen staan grotendeels los van elkaar. Een verlies in de ene box kun je in de regel niet zomaar verrekenen met winst in een andere. Dat klinkt technisch, maar het heeft praktische gevolgen: waar je iets onderbrengt, bepaalt hoeveel je betaalt.
En je hebt daar meer invloed op dan je denkt.
Box 1: inkomen uit werk en woning
Box 1 is de grootste box voor de meeste mensen. Hierin valt je loon, je winst als ondernemer, je uitkering, je pensioen en je AOW.
Ook je eigen woning zit hier. De hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait horen bij box 1, wat betekent dat je huis fiscaal niet als vermogen wordt gezien maar als onderdeel van je inkomen.
Het tarief in box 1 is progressief: je betaalt over een hoger inkomen een hoger percentage. In 2026 loopt dat tarief op van ongeveer 37 procent in de eerste schijven tot 49,5 procent in de hoogste schijf. Voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt gelden in de laagste schijf lagere percentages.
Ook je aftrekposten landen hier. Een lijfrentestorting binnen je jaarruimte verlaagt je box 1 inkomen, en daarmee je belasting in het jaar van storting. Later, bij uitkering, betaal je alsnog belasting in box 1, maar dan mogelijk tegen een lager tarief.
Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang
Box 2 raakt een kleinere groep, maar voor die groep is het belangrijk. Je zit in box 2 als je vijf procent of meer van de aandelen bezit in een vennootschap, bijvoorbeeld je eigen bv.
Wat je uit die vennootschap haalt aan dividend, of wat je bij verkoop van de aandelen aan winst maakt, wordt hier belast.
Sinds 2024 kent box 2 twee schijven. In 2026 geldt een tarief van 24,5 procent over de eerste 68.843 euro aan inkomen uit aanmerkelijk belang per persoon, en 31 procent over het bedrag daarboven. Fiscale partners kunnen dat inkomen onderling verdelen, waardoor de lage schijf gezamenlijk tot ruim 137.000 euro benut kan worden.
Voor directeurgrootaandeelhouders maakt dat de timing van een dividenduitkering tot een echte afweging. Elk jaar iets uitkeren binnen de lage schijf pakt in veel gevallen anders uit dan één grote uitkering ineens.
Let op: dit is geen algemeen advies. Wat verstandig is, hangt af van je gebruikelijk loon, je liquiditeit in de bv en je plannen op langere termijn.
Box 3: inkomen uit sparen en beleggen
Box 3 gaat over je vermogen. Je spaargeld, je beleggingen, een tweede woning, een verhuurd pand, cryptovaluta: het valt hier allemaal onder. Schulden mag je onder voorwaarden aftrekken.
Het grote verschil met box 1 en box 2 is dat er in box 3 niet wordt gekeken naar wat je werkelijk hebt verdiend. In plaats daarvan rekent de Belastingdienst met een verondersteld rendement, het zogenoemde forfait.
Voor 2026 worden daarbij drie percentages gehanteerd: ongeveer 1,28 procent voor banktegoeden, 6,00 procent voor overige bezittingen zoals beleggingen en vastgoed, en ongeveer 2,70 procent voor schulden. Over het aldus berekende rendement betaal je 36 procent belasting.
Het heffingsvrij vermogen bedraagt in 2026 59.357 euro per persoon en 118.714 euro voor fiscale partners samen. Alleen wat daarboven uitkomt telt mee.
Dat forfaitaire systeem is al jaren onderwerp van discussie en rechtspraak, omdat het kan afwijken van je werkelijke rendement. Er bestaat inmiddels een regeling waarmee je onder voorwaarden kunt aantonen dat je werkelijke rendement lager was.
Deze bedragen en percentages worden jaarlijks vastgesteld en de wetgeving rond box 3 is nog in beweging. Controleer altijd de actuele cijfers voor het jaar waarover je aangifte doet.
Waarom dit verschil praktisch uitmaakt
Neem twee ondernemers met ieder 300.000 euro aan opgebouwd vermogen.
De eerste heeft alles privé staan, verdeeld over spaargeld en beleggingen. Zijn vermogen zit in box 3 en wordt jaarlijks belast op basis van het forfait, ongeacht of de markt dat jaar meezat.
De tweede heeft hetzelfde bedrag in zijn bv laten staan. Dat vermogen valt niet in box 3. Er wordt geen jaarlijkse vermogensheffing over geheven, maar zodra hij het naar privé haalt, betaalt hij in box 2.
Geen van beide routes is per definitie beter. Uitstel is geen afstel, en geld in de bv is minder vrij beschikbaar. Maar het laat zien dat dezelfde euro een heel ander fiscaal pad kan volgen.
Hetzelfde geldt voor je woning. Aflossen op je hypotheek verlaagt je aftrek in box 1, maar verkleint ook je vermogen in box 3 als je het geld anders had laten staan. Die twee effecten wijzen niet altijd dezelfde kant op.
Tot slot
Box 1 belast wat je verdient met werken en wonen, box 2 wat je haalt uit een aanmerkelijk belang, en box 3 wat je vermogen volgens de fiscus zou moeten opleveren. Drie systemen, drie tarieven, en één portemonnee die er de rekening van krijgt.
De meeste mensen kijken pas naar de boxen als de aangifte al binnen is. Terwijl de keuzes die het verschil maken meestal in het jaar daarvoor worden gemaakt.
Weet jij in welke box jouw vermogen op dit moment zit, en of dat de plek is waar het hoort?
Wil je dit niet zelf uitzoeken, maar samen met iemand doorlopen? Het Financieel Kompas is een traject van vier sessies waarin we jouw financiële situatie van A tot Z in kaart brengen, inclusief de fiscale kant van je vermogen.