De 4 procent regel uitleg: werkt die ook in Nederland?

Je hebt een bedrag opgebouwd. Misschien vier ton, misschien meer. En dan komt de vraag die je eigenlijk al maanden met je meedraagt: hoeveel kan ik hier jaarlijks vanaf halen zonder dat het opraakt?

Ergens op een forum of in een podcast kwam je het antwoord tegen. Vier procent. Klinkt simpel.

Maar die vier procent komt uit een land met een ander belastingstelsel, een ander pensioensysteem en een andere beurshistorie dan het onze. Voordat je je hele plan erop bouwt, is het goed om te weten waar het getal vandaan komt en waar het wringt.

Waar de 4 procent regel vandaan komt

De 4 procent regel is geen wet en geen garantie. Het is een uitkomst van historisch onderzoek naar Amerikaanse beleggingsdata.

In 1994 publiceerde financieel adviseur William Bengen een analyse waarin hij terugrekende hoeveel iemand jaarlijks had kunnen opnemen uit een portefeuille zonder die binnen dertig jaar leeg te trekken. Enkele jaren later kwam de zogenoemde Trinity Study, uitgevoerd door drie hoogleraren van Trinity University, met een vergelijkbare conclusie. Op basis van Amerikaanse aandelen en obligaties over een periode van ongeveer zeventig jaar bleek een startonttrekking van vier procent, jaarlijks gecorrigeerd voor inflatie, in de meeste onderzochte perioden vol te houden gedurende dertig jaar.

Let op de formulering. In de meeste perioden. Niet in alle. En over een horizon van dertig jaar, niet oneindig.

Het getal is dus een historische observatie, geen natuurwet. Wie vandaag stopt met werken belegt niet in de twintigste eeuw en betaalt geen Amerikaanse belasting. Dat maakt het verschil groter dan veel mensen denken.

Hoe de rekensom in de praktijk werkt

De rekensom zelf is eenvoudig, en dat verklaart een deel van de populariteit.

Stel dat je jaarlijks 40.000 euro nodig hebt om van te leven. Deel dat door vier procent, en je komt uit op een miljoen euro. Dat is het spiegelbeeld van dezelfde regel: vermenigvuldig je jaarlijkse uitgaven met vijfentwintig en je hebt een richtbedrag.

De omgekeerde route werkt ook. Heb je 600.000 euro belegd, dan zou vier procent neerkomen op 24.000 euro per jaar, ofwel 2.000 euro per maand. In het oorspronkelijke onderzoek wordt dat startbedrag daarna jaarlijks verhoogd met de inflatie, ongeacht wat de beurs doet.

Precies daar zit de spanning. In een jaar waarin je portefeuille twintig procent daalt, neem je volgens de regel nog steeds hetzelfde bedrag op, gecorrigeerd voor inflatie. Je verkoopt dan meer stukken tegen een lagere koers. Dat effect, vaak aangeduid als het risico van slechte rendementen in de eerste jaren, is een van de belangrijkste redenen waarom sommige scenario’s in het onderzoek alsnog misgingen.

Wie wil begrijpen hoe een portefeuille zich over lange periodes gedraagt, doet er goed aan eerst stil te staan bij spreiding en horizon. 

Waarom Nederland een ander speelveld is

Hier begint het echte werk, want de regel is nooit ontworpen voor de Nederlandse situatie.

Het eerste verschil is fiscaal. Beleggingsvermogen valt in Nederland in box 3, waar niet je opname maar je vermogen belast wordt. Dat betekent dat je ook in een jaar zonder onttrekking belasting betaalt. In het Amerikaanse model gebeurt dat niet op die manier. De heffing in box 3 gaat rechtstreeks ten koste van je netto opnamepercentage, en dat effect groeit naarmate je vermogen groter is.

De regels rond box 3 zijn bovendien in beweging. Er wordt al langere tijd gewerkt aan een stelsel dat aansluit bij het werkelijk behaalde rendement, en de invoering daarvan is meermaals verschoven. Wat er precies geldt in het jaar dat jij stopt met werken, kan afwijken van wat er nu geldt. Controleer daarom altijd de actuele regels bij de Belastingdienst en laat je situatie doorrekenen voordat je conclusies trekt. 

Het tweede verschil is de AOW. Vanaf je AOW leeftijd komt er een basisinkomen bij dat je onttrekking uit eigen vermogen verlaagt. Veel mensen rekenen met één vast opnamepercentage over hun hele resterende leven, terwijl hun inkomensbehoefte uit vermogen in werkelijkheid daalt zodra AOW en eventueel opgebouwd pensioen instromen.

Het derde verschil is de horizon. Wie op zijn vijfenveertigste stopt, kijkt niet naar dertig jaar maar naar veertig of vijftig. Hoe langer de periode, hoe kleiner het percentage dat historisch houdbaar bleek.

De belangrijkste kritiek op de regel

De 4 procent regel wordt vaak gepresenteerd als een eindantwoord, terwijl het onderzoek erachter bewust beperkt was.

De data komt uit één markt, in één periode, die achteraf gezien gunstig is geweest. Onderzoek dat een bredere set landen meeneemt komt in veel gevallen op lagere houdbare percentages uit. Nederland heeft in de twintigste eeuw perioden gekend die er heel anders uitzagen dan de Amerikaanse gemiddelden.

Daarnaast gaat de regel uit van vaste, inflatiegecorrigeerde uitgaven. Dat is menselijk gezien zelden hoe het loopt. De meeste mensen geven in de eerste jaren na hun werkzame leven meer uit, daarna minder, en later weer wat meer aan zorg. Een vast percentage doet alsof je uitgavenpatroon een rechte lijn is.

Tot slot houdt de regel geen rekening met kosten. Fondskosten, transactiekosten en advieskosten drukken het netto resultaat. Een verschil van een half procent aan kosten klinkt klein, maar over dertig jaar is het dat niet.

Hoe je de regel wel kunt gebruiken

Dit betekent niet dat je de 4 procent regel moet weggooien. Het betekent dat je hem moet gebruiken waar hij sterk is: als eerste peiling, niet als eindplan.

Als richtgetal helpt de regel je om de orde van grootte scherp te krijgen. Wil je 3.000 euro per maand uit vermogen halen, dan zit je met deze vuistregel in de buurt van negen ton, vóór belasting en kosten. Dat is een nuttig vertrekpunt, ook als de uitkomst schrikt.

Vervolgens maak je het persoonlijk. Veel mensen die dit serieus doorrekenen komen uit op een voorzichtiger startpercentage, bijvoorbeeld tussen de drie en drieënhalf procent, juist vanwege de belastingdruk in box 3, een langere horizon en kosten. Anderen kiezen voor een flexibele variant, waarbij ze in slechte beursjaren tijdelijk minder opnemen. Die flexibiliteit heeft in historische scenario’s vaak meer effect gehad dan het exacte startpercentage.

En dan is er de eenvoudigste buffer van allemaal: een deel van je vermogen in cash of kortlopende obligaties, zodat je niet hoeft te verkopen in een dalende markt. Rust komt zelden uit een percentage. Rust komt uit ruimte.

Tot slot

De 4 procent regel is een bruikbaar startpunt uit Amerikaans onderzoek, geen belofte en geen Nederlands rekenmodel. Wie hem hier toepast, moet in elk geval de heffing in box 3, de AOW en de eigen tijdshorizon meenemen, en er rekening mee houden dat de fiscale regels kunnen veranderen.

Weet jij hoeveel je werkelijk per maand nodig hebt, of reken je nog met een bedrag dat je ooit een keer hebt geschat?

Een concreet plan om van je vermogen te leven begint met inzicht in je situatie. Het Financieel Kompas helpt je daarbij, in vier sessies waarin we je inkomen, vermogen en belastingpositie van A tot Z doorlopen.