Je weet dat je iets opzij moet zetten. Maar hoeveel?
Je hebt getallen voorbij zien komen: 10%, 20%, drie maandsalarissen. Ze klinken allemaal even willekeurig.
Dit artikel geeft je geen universele formule, maar wel een aanpak waarmee je voor jou het goede getal kunt bepalen.
Waarom er geen universeel antwoord bestaat
“Hoeveel moet ik per maand sparen voor later?” is een vraag die afhankelijk is van vier persoonlijke variabelen: wat je wilt, wanneer je dat wilt, wat je al hebt en wat je kunt missen.
Wie op zijn 55e wil stoppen met werken, moet maandelijks meer opzijzetten dan wie dat pas op zijn 70e wil. Wie al 100.000 euro aan vermogen heeft staan, heeft een andere opgave dan wie nog op nul begint. Wie hoge vaste lasten heeft, heeft minder ruimte dan wie met weinig toekan.
Vuistregels, zoals “spaar 20% van je inkomen” of “leg minimaal 300 euro per maand opzij”, zijn nuttig als startpunt voor mensen die nog geen idee hebben. Maar ze zijn geen goede graadmeter voor jouw specifieke situatie. Ze houden geen rekening met wat je al hebt, wanneer je wil stoppen of hoe hoog je gewenste inkomen later is.
Een eerlijker aanpak: bereken wat je later nodig hebt, trek daarvan af wat je al hebt, en reken terug naar een maandbedrag. Die methode geeft een getal dat klopt, in plaats van een getal dat generiek is.
Stap 1: bepaal je doel
Het begint met de vraag: hoeveel wil je later per maand besteden, en wanneer wil je stoppen?
Neem een concreet netto maandbedrag als richtpunt. Wil je 2.500 euro per maand netto? 3.500 euro? Meer? Dat getal is persoonlijk en hangt af van je verwachte levensstijl. Houd er rekening mee dat sommige kosten later lager zijn, geen hypotheek, geen werkkosten, geen kinderopvang, maar dat andere kosten hoger kunnen worden, zoals zorg en reizen.
Bepaal ook je stopdatum. Wie op 65 stopt en een AOW-leeftijd van 67 heeft, overbrugt twee jaar zelf voordat de AOW ingaat. Wie op 60 wil stoppen, overbrugt zeven jaar. Die extra jaren vergroten de kapitaalbehoefte aanzienlijk.
Zodra je deze twee getallen hebt, gewenst inkomen en stopdatum, heb je de contouren van je doel.
Stap 2: inventariseer wat je al hebt
Veel mensen onderschatten wat ze al hebben opgebouwd. Sommigen overschatten het. Maak een eerlijke inventarisatie.
Tel alles mee: spaargeld, beleggingen, lijfrenterekening, overwaarde in je woning als je die mee wil rekenen, en eventueel opgebouwd pensioen uit een eerder dienstverband. Alles wat op de een of andere manier beschikbaar is voor later, telt mee.
Maak ook onderscheid tussen gebonden en vrij vermogen. Geld op een lijfrenterekening is niet vrij beschikbaar. Het wordt pas uitbetaald onder de voorwaarden van het product en dan nog onder inhouding van belasting. Vrij belegd vermogen is flexibeler maar valt in box 3. Die fiscale context beïnvloedt hoeveel je netto over hebt.
Het verschil tussen wat je nodig hebt en wat je al hebt, is je opgave. Dat is het bedrag dat je nog moet opbouwen, verdeeld over de jaren die je nog hebt.
Stap 3: reken terug naar een maandbedrag
Zodra je je opgave weet, reken je terug. Hoeveel maanden heb je nog tot je stopdatum? En welk rendement veronderstel je op het geld dat je inlegt?
Een eenvoudig rekenvoorbeeld: je hebt een kapitaalopgave van 200.000 euro, je hebt nog 25 jaar, en je verwacht een gemiddeld rendement van 5% per jaar op je beleggingen. Dan is het maandbedrag dat je nodig hebt ruwweg 350 euro per maand. Bij een lager rendement of minder tijd is het meer.
Reken altijd met een conservatief rendement. Wie rekent met optimistische aannames en die niet haalt, komt tekort. Wie conservatief rekent en het beter doet, heeft een prettige meevaller in plaats van een probleem. Rendementen zijn nooit gegarandeerd.
Voor wie als zzp’er via jaarruimte inlegt, telt het belastingvoordeel mee als extra rendement op de inleg. Een lijfrentepremie van 400 euro per maand kost netto minder, afhankelijk van je belastingschijf. Dat effect maakt de jaarruimte in veel gevallen een aantrekkelijke route naast vrij beleggen. De precieze regels rondom jaarruimte kunnen veranderen; controleer actuele bedragen via de Belastingdienst.
Consistentie wint van perfectie
Wie tien jaar lang consequent spaart en belegt, doet het beter dan wie dat plan vijf jaar heeft maar het niet volhoudt.
Dat klinkt als een open deur. Maar in de praktijk is het de sleutelreden waarom veel mensen te weinig opbouwen: te ambitieus begonnen, te vroeg gestopt.
Kies een bedrag dat je comfortabel volhoudt, ook in mindere maanden. Start laag als dat nodig is en verhoog zodra je ruimte hebt. Automatiseer de overboeking zodat het geld er elke maand automatisch afkomt, op de dag dat je inkomen binnenkomt. Je hoeft er dan geen wilskracht meer voor te gebruiken.
Wie dit systeem eenmaal heeft ingericht, merkt dat het snel vanzelf gaat. En wie het niet inricht, schuift het jaar na jaar voor zich uit, tot het te laat is om nog echt in te halen.
Tot slot
Hoeveel je per maand moet sparen voor later, hangt af van wat je wilt, wanneer je wilt stoppen en wat je al hebt.
Er is geen getal dat voor iedereen klopt. Maar er is wel een aanpak die voor iedereen werkt: begin concreet, automatiseer het en herzie het eens per jaar.
Weet jij of jouw huidige maandinleg voldoende is om te komen waar jij wilt?
Een concreet spaar- en vermogensplan begint bij inzicht in jouw totale situatie. Het Financieel Kompas brengt dat in kaart, in vier sessies, zonder stapels formulieren.